Bij zeer veel mensen leeft een gevoel van verontwaardiging en ongeloof over de problemen met onze elektriciteitsbevoorrading. Hoe is het mogelijk dat we in het begin van de 21e eeuw dreigen geconfronteerd te worden met black-outs?  Waarom slagen die machtige energiebedrijven er niet in om de stroomvoorziening te garanderen? Hoe komt het dat er enorme schulden opgebouwd worden voor groene stroom die onze facturen zullen doen stijgen? Allemaal vragen waarover we ons gebogen hebben met het Transitienetwerk van het Middenveld (TNM). Wij zijn ervan overtuigd dat het mogelijk is om én onze factuur betaalbaar te houden voor iedereen, én de noodzakelijke transitie te realiseren naar een koolstofarme energievoorziening.

De werkgroep energie van TNM stelde in aanloop naar het Transitiefestival van 7 okotber 2014 een uitgebreide nota op aan de hand van 10 aanbevelingen. De volledige nota werd onlangs herwerkt op basis van feedback de werd onvangen. U kan de laatste versie  hier downloaden. Een bondige bespreking vindt u hieronder.

Ons land staat voor enorme uitdagingen op vlak van energievoorziening. Meer dan 90% van ons energiegebruik is gebaseerd op fossiele en nucleaire brandstoffen die ingevoerd moeten worden. Geen enkel Europees land is zo afhankelijk van het buitenland om het licht te laten branden. Figuur 1 toont hoe er jaarlijks bijna 20 miljard euro uit de Belgische economie weglekt voor de invoer van (hoofdzakelijk fossiele) energiebronnen. 

netto invoer E

Bovendien gebruiken we enorm veel van die fossiele brandstoffen waardoor we ook, relatief gezien, veel broeikasgassen uitstoten en dus een negatieve impact op het klimaat hebben. Om een passende bijdrage te leveren aan de strijd tegen de opwarming van de aarde,  zullen we onze energievoorziening grondig moeten wijzigen.

Een slecht werkende energiemarkt en onvoldoende sturing vanuit de overheden hebben voor onvoldoende investeringen gezorgd in moderne elektriciteitsproductie. Daardoor hangt onze elektriciteitsbevoorrading nu af van verouder(en)de kerncentrales die steeds minder betrouwbaar worden. We moeten dringend maatregelen nemen om onze elektriciteitsbevoorrading in de komende winters (2014-2017) veilig te stellen. Bovendien worden alle kerncentrales geleidelijk gesloten tegen 2025. Dat verscherpt de noodzaak om te investeren in nieuwe elektriciteitsproductie.

Investeren in nieuwe elektriciteitsproductie is niet alleen maar een kost: het is ook een kans om onze elektriciteitssector in versneld tempo te moderniseren. We moeten nu toekomstgerichte keuzes maken door om te schakelen naar hernieuwbare energie en energie-efficiëntie. Enkel zo kunnen we  een passende bijdrage leveren aan de strijd tegen de klimaatverandering én een energiezekere en betaalbare toekomst garanderen.

De factuur betaalbaar houden door slim en efficiënt te investeren, is slechts één kant van de medaille. Er zal voor dergelijke aanpak alleen maar een draagvlak zijn als iedereen een rechtvaardige bijdrage levert. Dat is nu niet het geval. Steeds meer mensen kunnen hun energiefactuur amper nog betalen. Daarnaast proberen machtige groepen in de samenleving de factuur zoveel mogelijk door te schuiven naar andere groepen (bv. van industrie naar huishoudens, van grote naar kleine bedrijven en van rijke naar arme gezinnen). De sociale spanningen die hierdoor ontstaan, kunnen ertoe leiden dat er uiteindelijk niets of veel te weinig gebeurt. En dat willen we absoluut vermijden. De Werkgroep Energie van het Transitienetwerk van het middenveld doet daarom een concreet voorstel aan de hand van tien aanbevelingen voor een eerlijke verdeling van de factuur van de energietransitie.

Tien aanbevelingen voor een rechtvaardige financiering van de energietransitie

1. Ecologische duurzaamheid, sociale rechtvaardigheid en economische ontwikkeling moeten samen aangepakt worden in de transitie naar een duurzaam energiesysteem. Het middenveld moet, samen met alle andere maatschappelijke stakeholders, een energiepact afsluiten dat een antwoord biedt op de uitdagingen van de toekomst.

2. Om de klimaatopwarming tot 2°C te beperken moet de energiesector tegen 2050 volledig koolstofvrij zijn. De elektriciteitsproductie moet daartoe al een stuk vroeger koolstofvrij zijn. De plannen en scenario’s voor een koolstofarme economie liggen op tafel en moeten uitgevoerd worden.

3. Een Europese en internationale aanpak is noodzakelijk om de deregulering ten koste van het klimaat en het sociaal beleid te stoppen. Geen opeenstapeling van vrijstellingen en subsidies voor internationaal concurrerende bedrijven maar regelgeving die een gelijk speelveld schept en klimaatbescherming en tewerkstelling garandeert.

4. Energie besparen is dé garantie voor een betaalbare energiefactuur en de meest effectieve maatregel in de strijd tegen energiearmoede. Een sociaal rechtvaardig energiebeleid is gebaseerd op doeltreffende maatregelen tegen energiearmoede, voortdurend getoetst aan mensen die in armoede leven. Energiearmoede in een rijke regio zoals Vlaanderen is onaanvaardbaar. We pleiten voor een op kWh verbruik gebaseerd, progressief tarief dat sturend is voor het verbruik. De tarieven moeten het verbruik afremmen zonder de armsten te treffen. We betreuren dat de plannen van de nieuwe regering ten koste zullen gaan van de huishoudens en willen dan ook dat het laatste herverdelende element tussen basisconsumptie en hogere consumptie van de stroom, de 100 kWh gratis, niet afgeschaft wordt.  Figuur 2 geeft aan dat de energiefactuur veel zwaarder doorweegt in het budget van de armste bevolkingsgroepen.

gem jaaruitgaven E

5. Rechtvaardige tarieven moeten ervoor zorgen dat alle actoren een billijke bijdrage leveren aan de energietransitie. Een billijke verdeling van de energiefactuur over alle spelers is, meer dan de hoogte van die factuur, de sleutel tot de energietransitie. Alleen zo kan een breed draagvlak voor de energietransitie tot stand komen. Blinde maatregelen zoals de energienorm moeten vermeden worden. 

6. De Vlaamse industrie zal enkel overleven door in te zetten op energie-efficiëntie. Europa heeft steeds hoge energieprijzen gekend en is juist competitief dankzij een hoge graad van energie-efficiëntie. Dit moet dan ook het speerpunt vormen van het industrieel beleid. Grensverleggende innovaties veronderstellen meestal samenwerking tussen overheid en bedrijven, op Europees niveau. 

7. Schaf de ondersteuning voor fossiele brandstoffen en kernenergie af. De vrijgekomen middelen moeten ingezet worden voor hernieuwbare energie en energiebesparing. Ook de nucleaire rente die de producenten van kerncentrales opstrijken moet volledig afgeroomd worden en gebruikt worden voor de duurzame energietransitie. 

8. Actieve participatie van burgers in hun eigen energievoorziening zal leiden tot een meer democratisch energiebeleid, bijdragen tot een groter draagvlak voor duurzame energie en zorgen voor een meer rechtvaardige financiering. In het bijzonder voor huishoudelijke energievoorziening hebben meer participatieve modellen, zoals coöperatieven, een groot potentieel. Ook de overheid moet een sterkere rol krijgen in controle, regulering en door investeringen in de energietransitie actief mogelijk te maken. Door de baten van de energiebronnen van de toekomst over zoveel mogelijk mensen te spreiden – via coöperaties of democratisch aangestuurde overheidsbedrijven – kunnen we ook iets doen tegen de toenemende inkomensongelijkheid.

9. Het tewerkstellingspotentieel van de energietransitie moeten we maximaal uitvoeren. Het huidige energiebeleid is nefast voor de tewerkstelling o.a. omdat de traditionele productie onder druk staat en daarnaast hernieuwbare energie nog onvoldoende stabiele en kwalitatieve jobs levert en er te weinig geïnvesteerd wordt in energie-efficiëntie. Het aantal jobs dat gecreëerd zal worden in de energietransitie is nochtans aanzienlijk indien het doordacht ondersteund wordt. Investeringen in klimaatmaatregelen, energiebesparing, hernieuwbare energie, aangepaste netten, enz. betalen zich op termijn terug en stimuleren de economie. Overheden kunnen daarvoor goedkoop geld lenen en ter beschikking stellen.

10. Inzetten op slimme meters om de factuur betaalbaar te houden dreigt enkel mogelijk te zijn voor beter gegoeden en hoog opgeleiden. Het kan niet dat enkel diegenen die kunnen investeren in slimme elektrische toestellen en een goede kennis hebben van de werking van de elektriciteitsmarkt hun factuur omlaag kunnen brengen en alle andere in de kou blijven staan met hoge stroomfacturen en opdraaien voor de financiering van het net. Slimme meters kunnen wel om ecologische redenen, waar ze helpen het verbruik te sturen, het net slimmer te beheren en de integratie van meer hernieuwbare energie mogelijk maken. Dus niet als ze enkel gericht zijn op het optimaliseren van de facturatie van de distributienetbeheerders.

De aanbevelingen getoetst aan de plannen van de regering

In het Vlaamse en federale regeerakkoord en in de beleidsbrieven staan een aantal passages die samen sporen met de bovenstaande aanbevelingen. Op Vlaams niveau gaat het dan vooral over de prioriteit voor energie-efficiëntie. Maar de vraag is hoe je de vermindering van het energiegebruik zal realiseren bij de verschillende doelgroepen: huishoudens, KMOs en (grote) bedrijven. Het aangekondigde renovatiepact om gebouwen energiezuiniger te maken is veelbelovend maar ook hoogdringend. De uitdaging bestaat er in om de bewoners van verouderde woningen die minder kapitaalkrachtig zijn of hun woning huren te bereiken. Eerst was de Vlaamse overheid van plan om het programma van energiescans te schrappen.[4]

Progressieve tarieven moeten zorgen voor billijkheid en draagvlak

Zowel in het federale als het Vlaamse regeerakkoord verwijst men naar een energienorm die moet zorgen voor energiekosten die niet hoger liggen dan in de buurlanden. In het Vlaamse regeerakkoord wordt specifiek verwezen naar de energie-intensieve bedrijven. Niemand kan de concurrentiedruk ontkennen waaraan energie-intensieve bedrijven bloot staan. Daar is een oplossing voor nodig. Die ligt in eerste instantie bij méér Europese en internationale afstemming, waarbij alle landen zorgen voor hetzelfde hoge beschermingsniveau voor klimaat en milieu. Er vindt duidelijk een verschuiving plaats van het economische zwaartepunt van de wereldeconomie richting Azië en de Pacific. Het kan niet de bedoeling zijn dat ons land tracht om de structurele veranderingen tegen te gaan door bij ons het klimaat- en milieubeleid (samen met de sociale verworvenheden)  af te bouwen. Een blinde toepassing van een energienorm is dan ook een zeer slechte maatregel.

De discussie over de energiekosten is ook relevant voor de huishoudens. Een aantal moeilijke dossiers zoals de vaststelling van nieuwe distributietarieven (de bevriezing van de tarieven kan niet blijven duren) en de doorrekening naar de klanten van de groenestroomcertificaten moeten dringend een oplossing krijgen. Indien we naar de plannen van de Vlaamse regering kijken is het maar de vraag of dit op een billijke en sociaal rechtvaardige manier zal gebeuren. Zo lezen we dat de 100 kWh gratis afgeschaft wordt. Dit was net een vorm van progressiviteit in de tarieven, waarbij de kost van de eerste 100 kWh verrekend werd over de resterende kWh. Als alternatief denkt men aan het verhogen van de vaste vergoeding o.a. voor de openbare dienstverplichtingen. Deze vergoeding is voor iedereen hetzelfde, of je nu veel of weinig verbruikt, en is dus niet sociaal.

Om de mensen aan te sporen tot energiezuinig gedrag is een tarief gekoppeld aan het verbruik aangewezen. Dit moet gecombineerd worden met effectieve maatregelen om kwetsbare groepen te begeleiden  tot een lager energieverbruik o.a. via isolatie en renovatie van woningen (ook op de private en sociale huurmarkt). Energietarieven en facturen die de bevolking als rechtvaardig ervaart, waarbij alle actoren een billijke bijdrage leveren, zijn een absolute voorwaarde om draagvlak te creëren voor de noodzakelijke transitie naar een koolstofarme en duurzame energievoorziening.

“Meer dan 90% van ons energiegebruik is gebaseerd op fossiele en nucleaire brandstoffen die ingevoerd moeten worden. Geen enkel Europees land is zo afhankelijk van het buitenland om het licht te laten branden.”

“Indien alle spelers alleen maar de kosten bij de andere partijen willen leggen, dan maakt een energiepact – hoe hoogdringend ook – geen kans.”


De volgende personen namen actief deel aan de werkgroep: Bart Bode (ODE), Bert De Wel (ACV en voorzitter van de werkgroep), Chris Vanmol (ACV), Ivo Aerts (Gezinsbond), Jan De Pauw (Ecopower), John Vandaele (MO), Leen Smets (Samenlevingsopbouw), Peter Bostyn (ABVV), Pieter Verbeek (ABVV), Sara Van Dyck (BBL) en Tom Willems (Ecopower).