"Eerlijk voor de boer, goed voor de natuur"

Boerderijen verdwijnen. Kleine boeren ruimen plaats voor steeds meer grootschalige, intensieve landbouwbedrijven die gericht zijn op zoveel mogelijk specialisatie. Om het hoofd te bieden aan een markt met zeer scherpe verkoopprijzen en stijgende kosten, staan onze landbouwbedrijven onder druk om steeds meer te groeien. Dit alles heeft nadelige gevolgen voor ons leefmilieu en het welzijn van de boeren. Hhet Europese Gemeenschappelijke landbouwbeleid (GLB) heeft dit mee bewerkstelligd.  

Dit GLB heeft zijn wortels in het West-Europa van de jaren 1950 maar heeft sindsdien al een hele weg afgelegd. Om de vijf jaar is er een bijsturing. Ook vandaag werken Europa en de Lidstaten aan een nieuw Gemeenschappelijk Landbouwbeleid dat in werking zal treden na 2020.

Nieuw is dat de lidstaten veel meer ruimte zullen krijgen om zelf te beslissen hoe ze de landbouwsubsidies in eigen land besteden. Parallel aan de besprekingen op Europees niveau is de Vlaamse administratie momenteel bezig met het opstellen van een Vlaams strategisch landbouwplan, dat het GLB post 2020 voor onze regio vorm moet geven.

Voedsel Anders is een beweging van 27 organisaties die pleiten voor een andere, duurzamere manier van voedsel produceren en consumeren. De problemen waar het huidige voedselsysteem mee kampt, moeten op een geïntegreerde, samenhangende manier worden aangepakt. Ons model betreft een systeemverandering waarbij we samenwerken met de natuur en waarbij de boer billijk beloond wordt voor zijn product én voor het realiseren van alle ecosysteemdiensten die met landbouw gepaard gaan. Voedsel Anders heeft vijf principes en een reeks aanbevelingen geformuleerd voor het tot stand komen van het Vlaamse strategische landbouwplan.

1. Vermijd dat boeren in een schuldenspiraal terecht komen en help ze - waar nodig - om te desinvesteren.

Specialisatie en hoge schulden houden veel boeren vast in een wurggreep. We noemen dit: “lock-in”. Het GLB zet al tientallen jaren vooral in op specialisatie, industriële landbouw en productie voor de wereldmarkt. Dit brengt meestal kapitaalintensieve investeringen met zich mee die de landbouwer voor lange tijd opzadelen met een hoge schuldenlast. Het spreekt voor zich dat het voor boeren in dergelijke situaties moeilijk, zo niet onmogelijk is, om in te spelen op veranderende trends, of om te schakelen naar een ander bedrijfsmodel.

Het decennialange aanhouden van specialiseren en intensiveren heeft wel gezorgd voor geleidelijke innovaties en efficiëntieverbeteringen per kilogram product maar de basisdoelen van het GLB zijn hier echter niet mee gehaald: de landbouwer krijgt geen loon naar werk en de milieuparameters blijven ondermaats. Het GLB steunt deze tendens rechtstreeks via de investeringssteun (in Vlaanderen, het Vlaams Investeringsfonds VLIF). Het gros van het VLIF-budget gaat naar gespecialiseerde sectoren die erg gevoelig zijn voor lock-in’s.

Voedsel Anders bepleit daarom dat de voorwaarden om beroep te kunnen doen op VLIF-steun zouden worden aangepast zodat investeringssteun aantrekkelijker zou zijn voor kleinere bedrijven en zodat bedrijven niet langer gedwongen worden om (te) snel te groeien. Risicovolle investeringen moeten vermeden worden. Bovendien vragen we ondersteuning van bedrijven die willen desinvesteren: een transitiefonds moet boeren helpen bij de omschakeling van hun bedrijfsmodel naar een duurzamer alternatief. Het maximum steunplafond van 1.000.000 Euro moet drastisch verlaagd worden om te vermijden dat sommige bedrijven grote delen van het VLIF-budget wegkapen.

 

2. Koeien in de wei: goed voor klimaat, natuur en dierenwelzijn.

Meerdere rapporten zijn het erover eens dat de vleesconsumptie naar beneden moet. Voedsel Anders is van mening dat we moeten streven naar “minder maar beter” vlees en zuivelproducten. In een circulair model heeft dierlijke productie zelfs een belangrijke rol: herbivoren kunnen ingezet worden voor het beheer van graslanden en mest blijft nodig voor de plantaardige productie.

Het areaal grasland daalt zienderogen. Vooral het blijvend grasland gaat achteruit (-23 %) en ook de kwaliteit van het grasland laat steeds meer te wensen over: extensieve structuurrijke weiden maken plaats voor hoogproductieve raaigraslanden.  

De premies uit het GLB komen vandaag vooral terecht bij de grote gespecialiseerde intensieve veehouderij, die, in tegenstelling tot de kleinschalige veehouderij, beroep kan doen op een bijkomende zoogkoeienpremie.

Voedsel Anders pleit voor een geleidelijke transitie naar een grondgebonden veehouderij. Koeien horen op de graasweide. Graslanden bieden verschillende ecosysteemfuncties. Door te grazen zetten herbivoren voor mensen ongeschikte voeding om in vlees en andere dierlijke producten. De publieke middelen uit het GLB moeten graslanden en graasweides stimuleren en op die manier de noodzakelijke stappen zetten naar een transitie in de richting van een grondgebonden Vlaamse veestapel. Aldus moeten veeboeren een goed inkomen halen uit de productie van minder maar kwaliteitsvolle dierlijke producten. Waar graaslandbeheer gecombineerd wordt met het behoud van historische en bloemrijke graslanden hoort een extra bonus. Zo kan de zoogkoeienpremie op de lange termijn geleidelijk aan worden uitgefaseerd.

 

3. Zet de GLB-middelen in opdat boeren vergoed kunnen worden om te bouwen aan een veerkrachtig, afwisselend en natuurrijk landschap.

Het Europese landbouwbeleid heeft een rechtstreekse impact op het landschap waarin wij leven en het voedsel dat wij eten. Vlaanderen moet kiezen voor een veerkrachtig, afwisselend en natuurrijk landschap met een verscheidenheid aan lokale landbouwrassen, een gezonde bodem dat ons blijvend kan voorzien in de natuurvoordelen die we nodig hebben en dat bovendien zorgt voor lekker en gezond voedsel afkomstig van de lokale boer. Zet het Europees landbouwgeld in voor gebiedsgerichte landschapsmaatregelen en zorg ervoor dat boeren “landschapslandbouw” als een nieuw verdienmodel zien.

Een goed beheerd landschap kan immers meerdere ecosysteemdiensten leveren: niet alleen voedselproductie maar ook klimaatregulatie, bestuiving, bescherming tegen overstromingen, luchtzuivering, groene ruimte voor recreatie, enz. In tegenstelling tot voedselproductie kunnen deze ecosysteemdiensten niet via de gangbare marktwerking vergoed worden. Het zijn wel diensten van publiek belang en daarom is het logisch dat publieke middelen (zoals bv. de middelen van het GLB gebruikt worden om ze te vergoeden. De installatie en het beheer van de groene infrastructuur (dit is het geheel van gezonde ecosystemen voor het realiseren van maatschappelijke doelen en natuurdoelen) is immers evengoed een overheidsopdracht als het beheer van onze wegeninfrastructuur en andere publieke diensten.

In Vlaanderen kunnen boeren vandaag al overeenkomsten afsluiten voor natuur- en milieudiensten.  Uit een enquête van VLM en DLV (2018) blijkt dat heel wat landbouwers bereid zijn om extra maatregelen te nemen voor biodiversiteit, milieu en landschap als ze daarvoor een correcte vergoeding krijgen. Wel moet één en ander op een meer samenhangende, gebiedsgerichte manier gebeuren en moeten de budgetten aanzienlijk verhoogd worden. Deze maatregelen moeten landbouwers een nieuw verdienmodel bieden, namelijk voor het realiseren en onderhouden van groene infrastructuur met het oog op het leveren van ecosysteemdiensten die vallen onder publieke diensten. Omwille van de bedrijfszekerheid is er een langere termijn nodig dan vandaag het geval is met de huidige vijfjarige overeenkomsten. Voor landbouwers die in een dergelijk verdienmodel stappen en dus ook een langetermijn-engagement aangaan, moet, naast een vergoeding voor de kosten en inkomstenderving, ook een bijkomende vergoeding voorzien worden voor de geleverde ecosysteemdiensten.  

Naast deze maatregelen moet ook de subsidieregeling voor agroforestry herbekeken en verbeterd worden. Agroforestry heeft veel potentieel om veerkrachtige landschappen te realiseren, maar de huidige instrumenten zijn ontoereikend en onvoldoende attractief.   

4. Zet de GLB-middelen in om bedrijven veerkrachtiger te maken zodat ze beter bestand zijn tegen toekomstige uitdagingen

Klimaatverandering zal de risico’s voor de landbouwsector verhogen. Vandaag al merken we wereldwijd dat er zich extremere weerpatronen voordoen. Ook in Vlaanderen liet zich dit al voelen (bv. de droogte van 2018). Weersverzekeringen kunnen een rol spelen maar ze werken slechts “curatief” en het is altijd beter te voorkomen dan te genezen. Daarom is het belangrijk om de veerkracht van onze landbouwbedrijven te verhogen. Niet alleen in het landschap, maar ook op het individuele bedrijf kan gewerkt worden aan meer veerkracht door agro-ecologische teelttechnieken toe te passen: bv. werken aan de verhoging van het koolstofgehalte in de bodem en het verbeteren van de bodembiodiversiteit waardoor die bodem beter om kan gaan met extreme weeromstandigheden (extreme droogte of regenval).  

Bedrijven worden ook veerkrachtiger door het realiseren van een meer divers aanbod in plaats van specialisatie. Gespecialiseerde bedrijven gericht op export zijn immers kwetsbaar en in die zin weinig veerkrachtig. Landbouwbedrijven kunnen op verschillende vlakken diversifiëren: qua assortiment, qua aantal en types afzetkanalen en qua aanbod aan maatschappelijke diensten. Verbreding op elk van deze gebieden kan de veerkracht verhogen. In het bijzonder ook het realiseren van een afzet naar de lokale consumenten heeft een grote meerwaarde om de veerkracht van landbouwbedrijven te verhogen. Bijkomend voordeel is dat dergelijke “korte keten”- verkoop verbinding creëert tussen boer en consument. Denk aan Voedselteams, Buurderijen, CSA-bedrijven (community supported agriculture, waarbij de klanten jaarlijks vooraf betalen voor het werk van “hun” boer), telkens business-to-consumer-initiatieven.

Voedsel Anders vraagt dan ook dat de middelen van het GLB worden gebruikt om plattelandsprojecten op te zetten om de ontwikkeling van dergelijke lokale marktkanalen te stimuleren en te faciliteren.

 

5. Zorg voor een wederzijdse toets van het landbouwbeleid met het klimaatbeleid en het beleid inzake buitenlandse zaken, handel en ontwikkelingssamenwerking.

Het beleid moet over de bevoegdheden heen coherent zijn om de economische, ecologische en sociale transformaties door te voeren die nodig zijn om duurzame ontwikkelingsdoelstellingen (SDGs) te verwezenlijken. Landbouwbeleid is immers geen eiland op zich, maar staat in wisselwerking met de andere beleidsdomeinen: klimaat, buitenlandse zaken, handel, ontwikkelingssamenwerking … Het werken aan duurzaamheid overstijgt de Europese grenzen en dat geldt ook voor maatregelen in het kader van voedselproductie. Voedselproductie- en consumptie staan wereldwijd op allerlei manieren met elkaar in verbindingen: via de handel maar ook via het klimaat. Landbouwbeleid moet daarom niet alleen oplossingen zoeken voor problemen die zich in Vlaanderen of Europa voordoen, maar het moet ook daarbuiten positieve effecten teweegbrengen.

Dergelijke “beleidscoherentie voor duurzame ontwikkeling” (BCDO) is een erkend begrip in zowel het Europese, federale als Vlaamse beleid. Maar ondanks een duidelijk politiek engagement voor BCDO zien we in de praktijk dat het Vlaamse beleid, en in het bijzonder het landbouwbeleid, onvoldoende coherent is met een krachtdadig beleid voor duurzame ontwikkeling.

Een en ander concretiseert zich in het beleid ten aanzien van de Vlaamse intensieve dierlijke productie, die sterk afhankelijk van de import van veevoer (soja) uit overzeese gebieden. Deze soja heeft niet alleen negatieve gevolgen voor het klimaat en waardevolle ecosystemen zoals de Cerrado in Brazilië, maar gaat ook gepaard met tal van mensenrechtenschendingen, ontbossing, pesticide-vergiftiging en onwettelijke verdrijving van kleine boeren en landeigenaars in die landen waar voedergewassen voor de Europese veestapel worden gekweekt.

Ook op vlak van handel zien we incoherent beleid. Ook de export van de eindproducten van de Vlaamse veehouderij naar niet-EU-landen zorgt voor problemen, vooral in gebieden met voedselonzekerheid. Zo zijn de gevolgen van de export van goedkoop melkpoeder, varkens- en kippenvlees naar bepaalde Afrikaanse landen veelal problematisch.

Voedsel Anders bepleit een landbouwbeleid dat zorgt voor duurzame productie voor lokale consumptie met zoveel mogelijk sluiting van de kringlopen op lokaal niveau. Dit kan onder andere door een beleid te ontwikkelen dat gericht is op een leefbaar inkomen voor familiale en kleinschalige boeren en dat niet dwingt tot schaalvergroting. Dergelijke toets zou systematisch moeten ingebouwd worden bij de maatregelen die in het Vlaamse strategische landbouwplan worden ontwikkeld voor de implementatie van het GLB.


Dit artikel kwam tot stand binnen het netwerk Voedsel Anders en is een samenvatting van de GLB-eisenbundel van Voedsel Anders.
Het volledige document is raadpleegbaar via http://voedsel-anders.be/images/Campagne_GLB_2020/190311_GLB_eisenbundel_def.pdf