Photo by Alena Koval from Pexels

Het maatschappelijke klimaatdebat raakt ook de financiële sector. De Divestment beweging is daar een concreet voorbeeld van.
Er zijn steeds meer mensen, organisaties en overheden die financiële middelen willen beleggen op een duurzame manier. De UGent besliste eind 2017 nog om al haar beleggingen weg te trekken uit fossiele brandstoffen en 1 jaar later volgde ook de stad Gent in die voetsporen.
De banksector heeft dan ook de voorbije jaren in versneld tempo allerlei ‘duurzame’ spaar-en beleggingsproducten op de markt gebracht.  
Maar zonder gemeenschappelijk kader kan elke bank natuurlijk zijn eigen duurzaamheidscriteria hanteren. Hoe weet je dan wanneer het over een groen laagje duurzaamheidsvernis gaat en bij welke fondsen wel veel strengere criteria worden gehanteerd?  
Zo bracht TNM eind 2017 een brochure uit (Institutioneel geld aan het werk voor een duurzame toekomst) gericht naar fondsenbeheerders van maatschappelijk georiënteerde organisaties om hen te informeren en handvaten te bieden om de institutionele middelen van hun organisatie duurzaam te investeren.

Gezien de groeiende vraag naar meer duurzame producten, opperde Febelfin, de koepelorganisatie voor financiële instellingen, vorig jaar om werk te beginnen maken van één duidelijke “Quality Standard”, een nieuwe minimumnorm die voorgelegd werd aan de sector maar waarvoor ook het middenveld en het brede publiek input mochten leveren. Een ambitieus en waardevol initiatief.
FairFin hekelt echter dat het oorspronkelijke “ambitieniveau gaandeweg is afgebrokkeld” onder druk van sterke financiële spelers en dat er met de input van de andere middenveldactoren weinig of niets is gedaan.  (FairFin, De lange trage weg naar echt duurzame financiële producten, 13/02/2019)
Ook binnen de banksector zelf heerst er hierover verdeeldheid. Triodos ondertekent de Quality Norm niet. Volgens directeur Thomas Van Craen schiet het label te kort:
Wanneer een zogenaamd duurzaam fonds binnen het kader van dit nieuwe kwaliteitslabel kan investeren in een bedrijf dat 60 procent van zijn inkomsten uit olie haalt, dan kunnen we niet anders dan concluderen dat de lat veel te laag wordt gelegd.  Als we een CO2-neutrale economie willen realiseren, moeten we simpelweg hogere eisen stellen.” (Triodos, De kleur van geld,Voor een ambitieuzer kwaliteitslabel voor duurzame financiële producten en diensten, 7/2/2019)

Het nieuwe label sluit weliswaar ondertussen investeringen in steenkoolmijnen uit, maar laat dus wel nog o.a. beleggingen in olie en gas toe. Leg daarnaast de stelling van het laatste rapport van het International Panel on Climate Change (IPCC rapport, oktober 2018) dat 80 procent van de olie- en gasreserves onder de grond moet blijven om de transitie naar een koolstofneutrale economie tegen 2030 te halen. Dan kan men dergelijke investeringen toch simpelweg niet meer promoten, laat staan dat dit ook nog eens onder de noemer ‘duurzaam” zou gebeuren.

Febelfin zelf schat dat zo’n 200 van de huidige 346 als ‘duurzaam’ gepromote fondsen niet meer zullen voldoen aan de eisen van het label.
Maar een label is niet wettelijk bindend. En zo, schrijft FairFin, zullen banken nog steeds producten als ‘duurzaam’ kunnen promoten, zelfs als ze niet (meer) aan de norm voldoen.

We kunnen als TransitieNetwerk Middenveld alleen maar besluiten met Triodos dat met het nieuwe kwaliteitslabel weliswaar een eerste ‘technische’ stap is gezet om bij financiële keuzes ook ecologische en sociale criteria te kunnen afwegen, maar dat het op inhoudelijk vlak niet ver genoeg gaat om daadwerkelijk de transitie naar een klimaatneutrale en sociaal rechtvaardige economie te helpen realiseren.

Lees zeker ook de gedocumenteerde opiniestukken van Fairfin en Triodos om zelf je eigen besluit te trekken uit de voorbeelden die ze aanhalen.